No. 64 – 1 september 2018 : SWIENEN

Ik hoop van harte, dat u zich door de titel van deze aflevering niet rechtstreeks voelt aangesproken. Dat is uiteraard ook niet mijn bedoeling. Bovendien hebben we bij de oprichting van onze Onstwedder dorpswebsite duidelijk uit- en afgesproken, dat de website absoluut niet mag dienen als medium om mensen ’s even fiks voor de schenen te schoppen of anderszins te beschadigen. Nee, we gaan in deze aflevering ‘gewoon’ iets dieper in op de plek van de varkens, - de swienen -, in de Onstwedder samenleving van toen, met een paar uitstapjes naar de taal van weleer.
Om het dier in kwestie even kort te omschrijven en om een beetje in de juiste sfeer te komen, citeer ik een gedicht van Doede Bruinsma.(Doet wel enigszins denken aan de gedichten van ‘De Schoolmeester’ uit de 19e eeuw). ’t Is weliswaar in het Groningse dialect, maar de nieuwkomers in onze regio kunnen zich op deze manier onze taal ook een beetje proberen eigen te maken. 

                 n Swien is veul groter as n knien.
                 Hef ook nait zoveul hoar,
                 hai is oareg koal, zeg mor.
                 Zien bozzels, doar moaken luu bozzelbozzels van.
                 Mit dizze bozzelbozzels kenst goud bozzeln, man !
                 Hai kiekt hail loos oet ogen, toch is e nait recht klouk.
                 Aan kop hef e ook oren, groot as n schuddeldouk.
                 Hailemoal veuraan zit ’n stopkontaktensnoet.
                 Ast ’n swien aan steert trekst, den löp e haard veuroet.
                 n Moeke-swien hait modde en pappe-swien is n beer.
                 Kinder binnen biggen, wel tiene tegeliek, biezetten nog wel meer.
                 n Swien ken ook nait proaten, hai knort aaltied mor wat.
                 As e mor veul te vreten hef, is e tevreden zat.
                 En hef e t lief goud vol, legt e zok laankoet hèn
                 en ligt den mor te sloapen, zo looi as e mor kèn.
                 Nou vroagst doe mie misschain:”Wat dut e den veur de kost ?”
                 Hai zörgt veur dikke zieden spek en meters lekk’re worst !


Vanuit de Joods-bijbelse traditie hoort een varken bij de onreine dieren en mocht daarom niet gegeten worden. Het mohammedanisme is daarin later gevolgd.
En wij ? Wij in Europa zijn al eeuwenlang, net als het varken zelf, alleseters. In de middeleeuwen (500 – 1500 n. Chr.) tref je varkens in de dorpen en de steden zelfs her en der “gewoon” op de straten aan. Ergens wel begrijpelijk: er bestond toen nog geen vuilnis-ophaaldienst en varkens voelen zich uitermate happy als ze zich tegoed mogen doen aan allerlei voedselrestanten, die door mensen worden weggegooid. Reinheid is daarbij een begrip, dat in het varkense woordenboek niet voorkomt. De betiteling “Doe vies swien !” spreekt in dat opzicht boekdelen. Merkwaardig vind ik ’t trouwens, dat hoewel wij met een gerust hart de joods-onreine alleseters verorberen, wij iemand die we verfoeien om z’n onzindelijke manier van doen met een walgende gelaatsuitdrukking als “Doe swien-hond !” wegzetten. Een hond is ook zo’n onreine alleseter en eigenlijke kwalificeren wij de viespeuk-in-kwestie dus als “Smeerlap-in-het kwadraat”.
 
Gaandeweg wordt ’t na plm. 1500 steeds belangrijker om met de winter in het vooruitzicht ’n swien op t hok hebben’. Met name bij arbeidersgezinnen is dat bijna een soort levensverzekering. Als je de zwaarte van het werk in aanmerking neemt, kun je je voorstellen dat de wetenschap van het in voorraad hebben van een lading spek, - om nog maar niet te praten over de ‘swienepoten’ en de ‘worsten-in-de-wieme’ (=droogplek aan de zolder voor die worsten).
Ook de rijkere (eigenerfde) boeren hadden trouwens altijd één of (meestal) meer mestvarkens. Een lapje spek was ook aan hen wel besteed.
In de herfst was ’t voor het vetgemeste varken zover, dat hij dan ‘mit de baaide veurpoten in t kamnet (=kabinetskast) zat’, d.w.z. dat hij op het punt stond geslacht te worden en z’n leven in twee helften ‘op de ledder’ (=ladder) te beëindigen.•
(Tijdens de allereerste ‘Onstwedder Gaarv’n’ in 1978 achter de boerderij van Meeme Leffers (Dorpsstraat  37) maakte het ‘swien op de ledder’, o.l.v. slager Berend Halming, nog als één van de oude oude Westerwoldse boerenambachten deel uit van het programma. Toen de Keuringsdienst van Waren daarvan echter lucht kreeg, was dat meteen de laatste keer). 

Hero Tammes Buirs uit Vlagtwedde beschrijft anno 1979 z’n jeugdherinneringen. Bijv. hoe  er tussen boeren wel ’s heibel ontstond over hun varkens, zeker in de tijd dat de boermarken nog niet volledig verdeeld waren. Zo had boer Twiest uit Ellersinghuizen de gewoonte om zijn varkens in de herfst regelmatig “uit eten” te sturen. De dieren werden dan richting het Metbroekbos gestuurd. Dat strekte zich rond 1900 nog een heel stuk richting Ellers’nhoezen uit. In het Metbroek konden ze zich volvreten met eikels, gras en groen. Maar op weg daarheen deden ze zich alvast tegoed aan de jonge, malse winterrogge op de landerijen in de omgeving. Dit tot groot verdriet van de eigenaars natuurlijk, die een stuk werk en potentiële oogstopbrengst verloren zagen gaan.
Als de avond dan daalde keerden de Twiest-swienen eigener beweging terug naar hun logeerboerderij, waar ze zich in alle rust in hun vertrouwde, eigen ‘swienhokken’ bezig gingen houden met de spekproduktie ………...

Ja, varkens waren gewilde, waardevolle beesten. Nog altijd doet in Onstwedde het verhaal de rondte over Harm (‘Haarm Draiws’) Drewes, die samen met z’n zoon Jans met handkracht hun 150 kg. zware zeug die bij de Molenpaal in de Mussel Aa beland was, uit het water van t Òl Daip redde.
Zo rond 1900 leverde een vet varken zomaar ƒ 30 tot ƒ 40 op, ruim 2 x het weekloon van een boerenarbeider. Een drachtige zeug wierp – zoals in het gedicht hierboven al vermeld – meestal wel een tiental biggen. Dat betekende opnieuw ‘Kassa !’, want een jonge big deed in de handel ook al gauw een gulden of vijf.
Als u wilt weten wat je allemaal kan overkomen als je met een varken naar de berenhouder moet, dan verwijs ik u graag naar het fotoboekje ‘Onstwedde, rond t Loug en t Wold’, dat oud-collega Piet Rooks en ik in 1977 maakten.
Trouwens ……….
De berenhouder op de hoek Dorpsstraat/Luringstraat heette Harm Lutjeboer. Maar op de hoek Luringstraat/Heideweg (waar nu Auto-Crew Niemeijer zit) woonde óók een Harm Lutjeboer. ‘Pluuster’ was z’n bijnaam en hij was een “spreker” van naam en faam.
Ergens in de jaren (19)’50 hadden de Pluuster-Lutjeboers een soortement familiedag. De foto, die gemaakt werd toonde liefst drie opvolgende geslachten Lutjeboer bijeen. Terecht iets om trots op te zijn. Dat vond iedereen ook; behalve ‘oll’ Pluuster’. Hij vond ’t allemaal wat overdreven.
Enkele dagen na het familiefeest slacht onze ‘Pluuster’ liefst 4 varkens op één dag. Zoals te doen gebruikelijk werden ze na het slachten ‘op de ledder’ gehangen. ‘Pluuster’ doet een paar stappen achteruit, kijkt naar het tafereel met z’n handen in vuistmodel in z’n zij en spreekt de gedenkwaardige woorden:”Zo, dat binnen den vaaier geslachten ! Dá’s pas knap waark, Lutjeboer ........”

                              ******************
 
Anno nu lopen er in Nederland zo’n 20 miljoen varkens rond, waarbij Noord-Brabant er bovenuit springt. We willen onze zuidelijke landgenoten hier niet min maken, maar je mag toch wel gerust zeggen:”’t Is doar n dikke swienebourel !”

• Wie iets meer wil lezen over oude rituelen van/bij het slachten van varkens:  aflevering 20 (1-1-2014) van de rubriek ‘Taikens & Toal’ vertelt daarover.

© Geert Schreuder (Taikens) & Klaas Meijer (Toal)